Van zudden, schadden en plaggen

 

Al dooit het als een gek - het is midwinter en dus 'muj de schadden dreug hebben' , Of zoiets, want een ander wil 'de zodden dreug' hebben, terwijl daarover elders de schouders worden opgehaald. Want "Wanneer as-ie in de torf geboren bint, heb-ie een zudde niet veul in tel", meldt het Drents Dialectwoordenboek. Het wordt nog mooier, want in "Twents in Woord en Gebruik'  staat als voorbeeld: 'De kromme wegen slingert deur 't godverlaoten land, langs zdden en plassen". We praten over plaggen, schadden of scharren, zodden en zudden. Allemaal afgestoken stukjes van het aardoppervlak, die nuttig gebruikt werden als brandstof, afdekking of strooisel in stallen, maar die in het noorden en oosten van Nederland uiteenlopende benamingen hebben. Er zijn oude zegswijzen, die nog maar een enkeling snapt. De 'dreuge schadden'  waar ik mee begon, komen van een Twentse uitdrukking als "Oons Grietje hef de schadden mooi dreug ekregen", waarmee gezegd wordt dat Grietje stevige verkering heeft. En als het stel helemaal 'de plaggen op 't dreuge hef' zijn ze via de beproefde weg van verkering, verloving en ondertrouw tot het huwelijk gekomen. Alsof plaggen en schadden helemaal identiek zijn, wat kn (mangs wa) maar wat niet zo hoft te zijn (smangs ok nich). We lopen langs het heideveld, vennetjes, veentjes en 't grote veen en kijken naar wat er al zo met de schop af- en uitgehaald  werd, van Groningen tot in het Gelderse. Sommige veldnamen herinneren aan dat vroegere gebruik.

Turf uit het hoogveen en turf uit vennetjes en veentjes leverden vroeger natuurlijk de beste brandstof. Al het andere spul wat gegraven werd,  zudden, schadden of kluun, was van mindere kwaliteit. Eerst de plaggen van de heide maar. Deze dienden als onderliggende strooisellaag voor de potstallen. Een Drents dorp met 10 12 boeren had jaarlijks 5 tot 6 ha heideveld nodig om te plaggen, volgens Harm Tiesing. De knechts die dagen aan het plaggensteken waren, meenden 'dat de plaggen half los gelegen moesten worden'. Je moest bij dat zware werk wel de halve tijd op de hei kunnen liggen pitten. In Twente noemde men dit soort mestplaggen of schelplaggen (Albergen). Plaggen van minder droge gronden werden gebruikt als deklaag tegen de vorst op aardappelkuilen (Rossum: 'vosplaggen') en als nok op rieten en strooien daken.

Brandplaggen waren de zodden of zudden. "We leden plaggen over de eerpel en zudden achter het vuur" zei de 'dialectmitwarker' uit Sleen. Toen er accijns op turf zat, gebruikte men in Drenthe toch vaker zodden. De plaggen van veenachtige heidegrond heetten schadden. Dat leverde in Gelderland, Overijssel en Drenthe veldnamen op als Schadde(n)veld, Scharreveld en Scharrebroek. Het vroegere lijntje Hengelo-Haaksbergen van de lokaalspoorwegen had als bijnaam 't Schaddenspoor. In Drenthe is er op enkele veldnamen na, geen schadde meer te bekennen.. In 't Noorden hebben vooral de zodden en zudden zich in het dialect genesteld. Een zddezak was in Groningen een log, lui mens. Wie in Drenthe 'net een zudde is', wil niks en kan niks; echt 'zo slap as een zudde'. Dan liever in Twente 'de schadden dreug hebben'. Dan ben je binnen.

 

Jan Tuttel

eerder verschenen in 't Nieuwsblad van het Noorden, 11 januari 2000

 


Copyright 1995 - 2008 Han Tuttel. All rights reserved.
This material may not be published, broadcast, rewritten or redistributed in any form, including digital,
without the prior consent and written agreement by the author.