natuur en landschap
       

Een zomer vol kleurige kevers 

Er zijn vele kevers, waaronder een Duits automodel die vanwege zijn bolle bovenkant met zo’n beestje vergeleken werd. Of dat een mestkever of een lieveheersbeestje was, weten we niet. Tegenover enkele automodellen ‘Kever’ staan circa 200.000 modellen natuurkevers in Europa. In de Benelux leven ruim 4000 soorten kevers. De zomermaanden zijn er vol van. Kijk eens naar het lieveheersbeestje, een verzamelnaam voor een groep van tientallen soorten. Het onderscheid zit ‘m in de kleur van het dekschild en het aantal stippen. De stippen geven dus niet de leeftijd aan, zoals kinderen aan elkaar doorvertellen. Dat dekschild, de harde bovenkant van kevers en torren, zijn ‘verbouwde’ voorvleugels. Alleen vliegt hij daar niet echt mee, want daarvoor heeft een kever dunne, vliezige vleugeltjes, die onder dat schild verstopt liggen. Let maar eens als je een lieveheersbeestje van je hand laat wegvliegen. Hij loopt naar ‘t hoogste punt (je vingertop), spreidt zijn schildvleugels uit en ontvouwt dan zijn vliezige achtervleugels en vertrekt de wijde wereld in. Misschien op zoek naar voedsel, bladluizen of zo. Daarom worden deze torretjes ingezet als biologische bestrijding van plagen in tuinderijen en kwekerijen. Lieveheersbeestjes komen trouwens al in het vroege voorjaar boven de grond. Ze zitten dan op een kluitje te zonnen.

De grotere loopkevers vreten alles wat hen voor de snuit komt: wormen, rupsen, slakken en ook insecten. Er zijn ‘metallic’ blauwzwarte loopkevers, maar de groene en geelzwart-gevlekte zijn echt fraaie torren. Loopkevers kun je overal aantreffen: in tuinen en parken, in bos, duin, op open plekken in de hei en aan waterkanten. Wie met de tent kampeert krijgt ze vanzelf over de vloer, eetbare rommeltjes opruimen.

Er bestaan zelfs gespecialiseerde opruimers onder de kevers. Ze heten doodgravers, omdat ze dode diertjes onder de grond spitten. Eigenbelang vanzelf, want het wijfje legt eitjes in het aas, dat als voedsel dient voor de larven. We zagen het gebeuren in onze tuin. Een dooie muis schokte en bewoog wat, zodat we eerst dachten dat hij aan het stuiptrekken was. Helemaal mis, want vanonder dat dode beestje piepte en kraakte het van jewelste. Een stuk of wat zwarte kevers met twee oranje dwarsbanden (soortnaam: krompootdoodgraver) werkten eendrachtig samen bij het begraven. Die geluidjes vormden hun onderlinge communicatie. Je zou echter zweren dat ze piepten en kraakten van inspanning. In mei j.l. vloog zo’n kever nog via de open achterdeur naar binnen, maar we hadden thuis geen werk voor hem. Doodgravers behoren tot de aaskevers, vaak zwart en oranje gekleurd. Het zijn prima vliegers met een perfect reukvermogen. Wat dacht je wat!

Tot slot nog een groep onverwacht goede vliegers, namelijk de waterroofkevers. Ze kunnen met hun stevige, behaarde achterpoten goed zwemmen. Een luchtvoorraadje nemen ze onder water mee in een luchtbelletje onder hun achterlijfspunt. Deze kevers, w.o. de geelgerande soorten, de bruine duiker en de gevlekte beekroofkever, zijn vrij plat en goed gestroomlijnd. Ze maken hun naam waar: menig waterdiertje ontkomt niet aan de kaken van deze centimeters grote kevers. In de zomertijd slaan ze aan het vliegen. Hele einden soms, waarbij ze ’s nachts op het licht afkomen. Ook in de stad. Grote kans dat u er eentje treft, als u ineens ‘tak’ hoort tegen een straatlantaarn of buitenlamp en vervolgens ‘tok’ op de grond of op een autodak. Het is een forse waterroofkever die na zijn vliegtrip ‘op zijn platte bek gaat’, zoals ze dat in de vliegerij noemen.

Jan Tuttel (eerder gepubliceerd op de ‘Kalmoeswebsite’ in juli 2002)


 

Jan Tuttel
(eerder gepubliceerd in Dagblad van het Noorden op 6 april 2002)

 


Copyright 1995 - 2008 Han Tuttel. All rights reserved.
This material may not be published, broadcast, rewritten or redistributed in any form, including digital,
without the prior consent and written agreement by the author.