Meer dan een fikkie

Paasvuren onderzocht

Het eerste onderzoek was begin jaren negentig, toen Ton Dekkers Twentse paasvuren (Holten e.o.) onderzocht. Hij publiceerde in het Volkskundig Bulletin (1993, pp78-104) daarover: ‘Paasvuren, een veranderlijke traditie tussen toerisme en lokale identiteit’. Paasvuren bleken goede kanten te hebben. Het mooist was de conclusie dat ze een geaccepteerde culturele waarde hebben, die in de paasvuurgebieden geen nadere uitleg behoeft.

Het tweede onderzoek is in 1999 begonnen met een enquête onder alle gemeenten in de provincies Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland en de Stellingwerver gemeenten in Friesland. Gevraagd werd naar het voorkomen van paasvuren met vergunning (dan wel ontheffing van verbodsbepalingen), alsmede ‘illegale’ paasvuren. Ook is de gemeenten verzocht te melden of er problemen waren en welk type aanvragers paasvuren wilden branden. Tot ieders verbazing reageerden binnen twee maanden zo’n 120 gemeenten door het antwoordformulier per post of per e-mail in te sturen. Paasvuren genieten warme belangstelling.

Dankzij de begeleidende publiciteit reageerden ook belangstellende particulieren met aanvullende informatie. Zo stuurde een in 1920 geboren mevrouw haar jeugdervaringen op: ‘Als meisje was het helemaal niet leuk, want je werd altijd zwartgemaakt’. De schrijver H. van Goor van het boek ‘Vlucht uit het dodendal van de Neckar’ (het verhaal van een dwangarbeider tijdens de Tweede Wereldoorlog) reageerde ook. In het eerste hoofdstuk staan zijn jeugdherinneringen aan het paasfeest met de paasvuren in Twente!

De onderzoeken en het aanvullend materiaal geven een goed beeld hoe het er nu voorstaat met dat oude gebruik en waar het nog knelt bij de bestuurders, ‘boakenbouwers’ en milieuhandhavers.

Sociaal vuur

Dat oude gebruik is bekend bij mensen die zijn grootgebracht in de paasvuurgebieden. ‘Vreemdelingen’ staan nog wel eens vreemd ten opzichte van dat heftige vuurgebruik in het openbaar. Zij klagen ook eerder over rook- of roetoverlast. Voor hen heeft het gedoe van takkebossen en stro slepen en stapelen, gevolgd door het opbranden van een gigantische bult snoeihout nog niet de ‘geaccepteerde culturele waarde’ die de inboorlingen er vanouds wel aan geven. Het ‘geheim van het paasvuur’ moet hen uitgelegd worden; later gaan ze de lol er vanzelf wel van inzien. Een van die leuke dingen is het sociale karakter, een paasvuur verbindt de omstanders. Je praat makkelijker met elkaar, ook met vreemden bijvoorbeeld. En een groot paasvuur trekt duizenden mensen (de meeste files in Twente zie je ook met Pasen).

Betreft het een buurtpaasvuur, dan worden oud en jong getrakteerd. Is er een optocht met fakkels aan verbonden, dan kan in principe iedereen met kinderen meedoen. Je hoeft maar een fakkel bij de organisatoren te kopen en je doet gewoon mee, je hoort erbij. Kinderen vergeten zo’n sfeervolle ervaring nooit meer.

(Heel bijzonder was 1997, toen de komeet Hale-Bopp boven het paasvuur helder aan de avondhemel stond. In 1999 bij het paasvuur te Azelo vroeg een kind dus: Meneer, komt die komeet er ook weer bij? Over herinneringen gesproken)

Paasvuurgebied

Hoe ver strekt het z.g. paasvuurgebied zich uit? Oostelijk Nederland ligt aan de rand van het Europees paasvuurgebied. Paasvuren branden globaal in een gebied dat zich uitstrekt van Denemarken tot in Oostenrijk en van Oost-Nederland tot achter de Harz. Uit de enquête onder de gemeenten kwam naar voren dat het paasvuurgebied van Groningen tot onderin Gelderland loopt en van midden Gelderland oostwaarts verder Duitsland in (volgens de antwoorden tot medio juli 1999).

Het noordelijkste paasvuur van 1999 was in Kloosterburen, met iets zuidelijker drie paasvuren te Werkhuizen, Westeremden en Oosterwijtwerd. Het meest westelijke paasvuur in Overijssel was te Kamperzeedijk. Ook in Basse (bij Steenwijk) brandde een paasvuur. In Gelderland lagen de meest westelijk gelegen paasvuren in de gemeente Kesteren (Betuwe) en in Otterlo (gemeente Ede), Vaassen en Wissel (gemeente Epe) op de Veluwe. Het zuidelijkste paasvuur stond in Nijmegen.

Enkele gemeenten in de Kop van Overijssel en op de Noord-Veluwe hebben het gebruik om paasvuren te stichten de kop ingedrukt wegens overlast en misbruik in het verleden. In principe hoort dit gebied evenals het Friese randgebied tot het Europese paasvuurareaal. In Nijeholtpade is de vereniging ‘de Takkebienders’ onlangs gestopt met paasbulten bouwen.

Oud gebruik

De paasvuren behoren tot de z.g. traditionele ‘jaarvuren’, die in bepaalde jaargetijden ontstoken werden en worden. Het paasvuur hoort met de meivuren (Waddeneilanden) tot de voorjaarsvuren. Het St. Johannes- of midzomervuur (‘Johannisfeuer’) dat in Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland gebrand wordt, valt op of omstreeks 22 juni. (Het weekend ervoor of erna mag ook, al naar het uitkomt). Zo zijn er in Europa ook Martinusvuren op Sint Maarten (11 november). In Noord-Nederland is het ‘lichielopen’ daar nog familie van. Het midwintervuur zit min of meer verdoken in oudejaarsvuren en de kaarsjes met Kerstmis.

In alle gevallen komt zo’n vuurtraditie voort uit het verlangen naar zon en vruchtbaarheid en vreugde om (terugkeer van) de zon. Volgens de overlevering zouden het lichtschijnsel, vonken en rook een weldadige uitwerking hebben op de vruchtbaarheid van de velden. In Duitsland, in Lügde in het Weserbergland, hebben ze een variant op de paasbult. Daar wordt een metershoog rad omwikkeld met brandbaar spul, dat brandend een helling afdavert. De rondsproeiende vonken brengen vruchtbaarheid aan het land. Een aardige variant is (was?) het gebruik in Roomse streken om zwartgeblakerde takjes, ‘poasholtjes’, van het paasvuur door misdiennaars rond te laten brengen. Het leverde ‘de jongs’ een zakcentje op en de bezitter van de ‘poasholtjes’ bescherming tegen ongeluk, ziekte van het vee en misgewas.

Het wordt nattevingerwerk om de ouderdom van deze vuurtradities te schatten, maar zeker is dat in de 17de eeuw zulke vuren al verboden werden. Het begeleidende gehos, gezuip, liederlijk gezang en ander vermaak stoorden het gezag. Nochtans leeft zo’n oude traditie voort, ook toen eind 20ste eeuw strenge milieuregels de paasvuren in een kwaad daglicht plaatsten. Alle paasbulten heetten ineens afval, waarvoor aparte vergunningen nodig waren. Ook als je al dertig jaar een paasvuur op eigen land had. Het werd soms ook te gek. In bepaalde streken vonden in plaats van paasvuren een soort openbare, stinkende vuilverbrandingen plaats. Gelukkig zijn dit soort uitwassen vrijwel verdwenen, mede door de controle van de boakenbouwers zelf, en van de milieupolitie.

Wat is ‘ècht’?

Uit de enquete bleek dat verscheidene bestuurders en beleidsambtenaren moeite hebben met de definitie van een echt paasvuur. De zelfgemaakte normen lopen sterk uiteen, afhankelijk van de plaats en hoe sterk daar de traditie nog is. Er valt te proeven dat men naar enkele grote paasvuren toe wil, met alles d’r op en d’r aan en die kleine vuren eigenlijk wel kwijt wil.

‘Echt’ heet dan groot, met muziek, optocht en ‘iets voor kinderen’ . Het kan ook inhouden dat alleen bepaalde organisaties een paasvuur mogen stichten. Of dat er slechts paasvuren worden toegestaan op vastgestelde plaatsen, waar ze al vele jaren staan. Als uitsterfconstructie, eigenlijk. Elders wil men de vele particuliere vuurtjes juist in ere houden, want dàt is volkstraditie. Eén gemeente denkt er over, om aanvragen te gaan selecteren op het sociale aspect bij de paasvuren. Achter op eigen erf een paasvuurtje bouwen wordt dan onmogelijk.

In elk geval is dit ‘levend erfgoed’ moeilijk in een strak keurslijf te proppen. Er zijn meer echte paasvuren in de beleving van ‘het volk’, dan in de ogen van bestuurders en controleurs.

Een positieve ontwikkeling is dat van enkele gemeenten de vraag kwam om steun bij het bepalen van een helder beleid. De milieuregels respecteren, maar vooral de paasvuurtraditie goed in ere houden.

De hoogste, de grootste, de mooiste, de meeste

Zoals bij elk oud gebruik ontwikkelen zich nieuwe varianten. Zo zijn er competities gekomen waarbij naar de beste, de hoogste en de mooiste paasbult wordt gekeken. Er komen regels voor het opbouwen: wel een kraan of alles met de hand stouwen? In pyramidevorm of als een ouderwetse hooimijt? In Drenthe doet zelfs een milieuclub mee aan de keuring van paasvuren.

Wat ook telt is het aantal bezoekers dat er op af trekt. Het kunnen er 3000 of meer worden. In IJzerlo (Achterhoek) zegt men het grootste paasvuur van Nederland te hebben…

We besluiten met de Toptien van Paasvuurgemeenten (2000), waar de traditie nog volop leeft:

  1. Tubbergen met meer dan honderd grote en kleine paasvuren
  2. Losser met 39 paasvuren
  3. Emmen en Heerde, beiden met 23 paasvuren
  4. Denekamp met 20 paasvuren
  5. Weerselo met 16 paasvuren
  6. Ommen met 15 paasvuren
  7. Hoogeveen met 13 paasvuren
  8. Wijhe met 12 paasvuren
  9. & 10- Noordenveld (Dr.) en Hengelo (O), elk met 11 paasvuren

Jan Tuttel (Eelde/Dr.)

2 reacties op Meer dan een fikkie

  1. Pingback: Pasen vieren met de godin « De Zesde Clan

  2. Jan schreef:

    Ik citeer:

    “Zij klagen ook eerder over rook- of roetoverlast”.

    En met recht!

    Roet en rook bevat zeer schadelijk Fijnstof!

    Dit Fijnstof dringt ongemerkt diep je longen in en het onomkeerbare! resultaat merk je pas als je ouder wordt!…
    Niet meer voldoende lucht kunnen opnemen omdat je longen kapot zijn gemaakt door Fijnstof…

    Per jaar sterven er vele duizenden! mensen extra door de dodelijke uitwerking van Fijnstof en het kost de gehele gemeenschap vele miljoenen Euro’s.

    http://www.rivm.nl/milieuportaal/dossier/milieuengezondheid/themas/fijn-stof/

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *